Voor dove en slechthorende mensen, die bij geboorte of op jonge leeftijd doof of slechthorend zijn geworden, is lezen en schrijven niet vanzelfsprekend.

Teksten in Taalniveau B1 voor doven en slechthorenden

Omdat het taalniveau van doven en slechthorenden minder goed is dan van horende mensen, is het belangrijk om in de toegankelijkheid van websites geen te moeilijke taal te gebruiken. Vaak denken mensen bij toegankelijkheid alleen aan voor de hand liggende zaken als een alt-tekst bij een afbeelding, maar minder snel aan het gebruiken van eenvoudige taal.

Taalniveau B1 staat voor eenvoudig Nederlands. De meerderheid van de bevolking begrijpt teksten die op dit niveau geschreven zijn. Een tekst op dit niveau bestaat uit makkelijke woorden die bijna iedereen begrijpt en uit korte zinnen.

In totaal zijn er 6 taalniveaus, waarbij A1 het laagste is en C2 het hoogste. Bedrijven en overheden schrijven vaak op niveau C1, maar dit niveau is niet voor iedereen goed te begrijpen.

Kenmerken van teksten op taalniveau B1:

  • Duidelijke titels en gebruik van tussenkoppen
  • Een actieve schrijfstijl waar voorbeelden in voorkomen
  • Simpele woorden die iedereen kent en begrijpt
  • Korte en heldere zinnen.

In dit blog zal ik het taalbegrip en de ontwikkeling ervan bij deze groep mensen toelichten.  Ik behandel onder andere hoe doven en slechthorenden de Nederlandse taal leren en hoe zij thuis hun taalvaardigheid ontwikkelen. Ook zal ik wat meer toelichten over mijn eigen taalontwikkeling en over het onderzoek naar begrijpend lezen bij dove volwassenen, waar ik aan heb deelgenomen.

Dove en slechthorende kinderen

Kinderen die jong (vanaf hun geboorte of tijdens de kinderjaren) geconfronteerd worden met een auditieve beperking, hebben een hoor-achterstand. Dat geldt ook voor kinderen met een hoortoestel of een cochleair implantaat.

Dove en slechthorende kinderen krijgen namelijk logischerwijs minder (of zelfs geen) gesproken taal mee. Zowel thuis, op school als in andere contexten. Ze groeien op met veel ontbrekende informatie over de gesproken Nederlandse taal.

Doordat ze minder gesproken taal meekrijgen, ontstaan er zwakheden in het toepassen van de geleerde grammatica, waardoor ze meer moeite hebben met begrijpend lezen en schrijven dan horende mensen.

Woordenschat

Je kunt je voorstellen dat als je niet hoort, er ook veel minder diversiteit zit in de woorden die je leert en onthoudt. Het verschil in woordenschat tussen dove en horende kinderen is niet alleen afhankelijk van het soort woorden, maar ook van het soort kennis dat hiervoor vereist is. Dove en slechthorenden kennen niet alleen minder woorden, ze kennen ze ook minder goed dat horende kinderen.

Dove en slechthorende kinderen missen vooral moeilijke woorden, omdat ze niet constant alles meekrijgen. Er is namelijk veel taal nodig om moeilijke woorden te omschrijven en te leren. Juist dat stuk van gesproken taal van anderen krijgen ze niet of weinig mee. Voor een goede taalontwikkeling zijn ze vooral afhankelijk van tweetalig onderwijs op school, veel gesprekken met hun ouders en veel lezen.

Tweetalig onderwijsaanbod

Dove en slechthorende kinderen in Nederland krijgen naast Nederlandse Gebarentaal (NGT) ook gesproken Nederlands. Dat wordt in de praktijk tweetalig onderwijs genoemd. Ze krijgen basis taallessen die worden ondersteund met extra uitleg in NGT.

Er wordt soms ook gebruik gemaakt van Totale Communicatie (TC), soms extra ondersteund met gebaren (NmG). TC is ontstaan vanuit het idee dat communicatie belangrijker is dan taal. Oftewel: de boodschap begrijpen en kunnen overbrengen is het belangrijkst. Daarom zijn bij TC alle hulpmiddelen die je kunt inzetten om iets over te brengen, geoorloofd. Denk aan liplezen, lichaamstaal, tekenen, pantomime en pictogrammen.

Liplezen

Veel dove leren ook liplezen (spraakafzien). De meeste kinderen kunnen liplezen en gesproken woorden vormen, met ondersteunende gebaren. Voor geschreven taal is dat natuurlijk anders, ook dat draagt eraan bij dat dove kinderen de geschreven taal minder goed beheersen.

Gebarentaal gebruikt andere grammatica dan Nederlandse taal

Daar komt nog bij dat de Nederlandse Gebarentaal (NGT) geen taal is waarin je kunt schrijven en dat deze bovendien een andere grammatica heeft dan de Nederlandse taal. In NGT zijn er bijvoorbeeld geen lidwoorden en hebben werkwoorden geen verleden tijd, behalve met een specifiek tijdsgebaar (‘gisteren’). Dove kinderen die in NGT communiceren, kunnen daardoor moeite hebben met het leren schrijven in het Nederlands.

10% van dove en slechthorende volwassenen is laaggeletterd

In 2017 heb ik meegedaan aan een onderzoek naar de leesvaardigheid en leesbehoeften van dove volwassenen. Dit onderzoek was een samenwerking tussen Dovenschap, GGMD en Koninklijke Kentalis. Het was het eerste onderzoek naar het taalniveau, de taalontwikkeling en de leesvaardigheid van dove en slechthorende volwassenen.

Uit het onderzoek bleek dat doven en slechthorenden veel meer problemen hebben met lezen dan gemiddeld. Naar schatting is 10% van hen op volwassen leeftijd laaggeletterd. Dat betekent dat het leesniveau te laag is om zichzelf voldoende te kunnen redden in de maatschappij.

De rol van opvoeding en het moment van doof worden

Er spelen verschillende factoren een rol bij de taalontwikkeling van dove en slechthorende volwassenen. Ten eerste het moment en de manier waarop iemand doof of slechthorend is geworden, maar ook hoe ze thuis en op school met de Nederlandse taal zijn opgegroeid.

Hoe ik mijn taalvaardigheid heb verbeterd

Als horende peuter ben ik in aanraking gekomen met twee talen: Nederlands en Engels. Nadat ik doof ben geworden op tweeënhalf jarige leeftijd, hebben mijn ouders meteen uitgezocht hoe ze mij taal konden laten leren. Zo ben ik dankzij veel taalspelletjes met drie talen in aanraking gekomen: Nederlands, Engels en gebarentaal. Allemaal bedacht door mijn vader.

Daardoor heb ik een enorme interesse ontwikkeld in talen, in het lezen, in het schrijven, in het spreken en in het spraakafzien. Als kind heb ik altijd veel gelezen zowel in het Nederlands als Engels.

Veranderingen toen ik volwassen werd

Als dove volwassene merkte ik dat ik ondanks het vele lezen en schrijven, ik toch nog steeds moeite heb met bepaalde woorden, zoals lidwoorden, maar ook met de Nederlandse grammatica als geheel. Waarschijnlijk komt dit doordat ik ben opgevoed door Engelse ouders die de Nederlandse taal niet perfect beheersten.

Daarnaast keek ik vroeger als kind weinig Nederlandse televisieprogramma’s, omdat er toentertijd geen of weinig ondertiteling beschikbaar was en omdat mijn ouders weinig Nederlandse programma’s keken.

Gelukkig kan ik zeggen dat mijn Nederlands taalniveau ruim voldoende is en dat ik veel blogs en artikelen schrijf en kan delen met lezers. Ik vind boeken en tijdschriften lezen erg leuk en ontspannend.

Iedereen is uniek

Als vanzelfsprekend is iedere dove en slechthorende persoon verschillend en hun taalachtergrond en -ontwikkeling daarom ook.

Verder vind ik het erg positief dat er tweetalig onderwijs wordt geboden aan dove en slechthorende kinderen. Het is belangrijk dat ze de kans krijgen om hun taal goed te ontwikkelen. Dan gaat het om zowel begrijpend lezen, schrijven, liplezen, kunnen spreken als ook het leren van de Nederlandse Gebarentaal. Gelukkig is het aanbod nu groter dan toen ik opgroeide.

Daarom is het belangrijk dat behalve het onderwijs, ook ouders rekening houden de taalontwikkeling van jonge kinderen. Zij kunnen ervoor zorgen dat het leren van een taal (waaronder ook spreken en liplezen vallen) ook leuk en interessant wordt. Zo worden deze kinderen op latere leeftijd gestimuleerd om zelfstandig hun taal verder te ontwikkelen, tijdens hun vervolgopleiding, maar ook ‘gewoon’ door het lezen van boeken.

De blog is online geplaatst op de website van digitaal toegankelijkheid